Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2016 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
Rechtbank Den Haag
Eiseres, een buitenlandse minderjarige uit Marokko, werd onder kafala geplaatst bij referent en zijn echtgenote die in Nederland verblijven. De Marokkaanse rechtbank kende hen het voogdijschap toe. Verweerder weigerde een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 33 van Pro het HKBV, waaronder het ontbreken van een instemmingsverzoek van de Marokkaanse Centrale autoriteit aan de Nederlandse Centrale autoriteit.
Eiseres voerde aan dat de kafala-uitspraak van de Marokkaanse rechter als een plaatsingsverzoek moest worden gezien en dat het ontbreken van een uniform toelatingsbeleid voor kafala-kinderen een juridisch vacuüm veroorzaakte. De rechtbank oordeelde dat verweerder het juiste toetsingskader hanteerde en dat het aan eiseres was om het initiatief te nemen voor instemming van de Centrale autoriteit.
Verder faalden de beroepen op afwijking van beleid en op schending van artikel 8 EVRM Pro en het IVRK. De rechtbank concludeerde dat verweerder de belangen van het kind voldoende had betrokken en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die afwijking van het beleid rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot verblijf wordt afgewezen.