De rechtbank Den Haag behandelde beroepen tegen twee omgevingsvergunningen verleend aan vergunninghouders voor het tijdelijk plaatsen van in totaal 40 seizoensgebonden strandhuisjes op het Zuiderstrand van Kijkduin. Eisers, waaronder Vereniging [X], voerden onder meer aan dat de vergunningen onvoldoende ruimtelijk waren onderbouwd en dat belangen van [X] onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de individuele leden en bestuursleden van [X] niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt, waardoor hun beroepen niet-ontvankelijk zijn. Het bestuur van [X] is geen rechtspersoon en ook niet ontvankelijk. Wel is [X] als huurder van een deel van het strand rechtstreeks belanghebbende bij de besluiten.
Materieel stelde de rechtbank vast dat de vergunningen niet voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing. De gebruikte verkenning en het collegevoorstel zijn verouderd, bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en motiveren onvoldoende de locatiekeuze en belangenafweging. Ook is niet aangetoond dat de strandhuisjes passen binnen het Masterplan Kijkduin en de Structuurvisie. Daarom zijn de besluiten niet deugdelijk gemotiveerd en in strijd met de Awb.
De rechtbank geeft verweerder de gelegenheid om binnen zes weken de gebreken te herstellen door aanvullende motivering of een vervangend besluit. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden. Proceskosten worden nog niet toegewezen. Tegen deze tussenuitspraak staat geen zelfstandig hoger beroep open.