Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2016 in de zaken tussen
[verzoeker] ,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
prima facie-vluchtelingschap wegens het feit dat verzoeker soenniet is. Daarnaast heeft hij een beroep gedaan op de algemene veiligheidssituatie in Irak, in het bijzonder in de stad Bagdad. Verzoeker stelt in verband met het laatste, onder meer, dat de veiligheidssituatie dermate slecht is dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2011/95/EG (voorheen richtlijn 2004/83/EG) inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn), zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker heeft daarbij verwezen naar de ambtsberichten van april 2015 en oktober 2015, naar het Human Rights Watch jaarboek van januari 2016 en naar ‘Country Expert Report: Risks to Arab Sunni Males’ van 10 maart 2016. Verzoeker stelt voorts dat het feit dat een soortgelijke zaak (met nummer AWB 15/22446) door een meervoudige kamer is behandeld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, hierin aanleiding heeft gezien om in een soortgelijke zaak (met nummer AWB 16/2368) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en de behandeling van de beroepszaak aan te houden in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van deze rechtbank, aangeeft dat de beoordeling van de actuele veiligheidssituatie (voor soennieten uit Bagdad) zich niet leent voor behandeling door één rechter.
prima facie-vluchtelingschap en dat in Bagdad geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. Verweerder verwijst in het verweerschrift onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 februari 2016 (met nummer AWB 16/2015) waarin dit standpunt van verweerder is aangenomen.