ECLI:NL:RBDHA:2016:4723
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument op grond van niet bestaand geregistreerd partnerschap
Eiser, van Servische nationaliteit, vroeg om afgifte van een document op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar verweerder wees dit af omdat het geregistreerd partnerschap tussen eisers moeder en stiefvader ten tijde van het besluit niet bestond.
De rechtbank oordeelde dat het geregistreerd partnerschap niet ex nunc maar ex tunc getoetst moet worden, waardoor het latere partnerschap niet in de beoordeling van het beroep kan worden betrokken. Eiser voldeed daarom niet aan de vereisten van artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000 ten tijde van het besluit.
Eisers beroep op artikel 8 EVRM Pro en het gelijk behandelen van ongehuwde partners werd verworpen. Ook werd geoordeeld dat verweerder terecht afzag van het horen van eiser in de bezwaarprocedure.
De voorlopige voorziening werd afgewezen omdat eiser inmiddels rechtmatig verblijf heeft sinds het geregistreerd partnerschap van zijn moeder en stiefvader op 14 oktober 2015. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.