Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2016 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
[B.V. Y], te [plaats] , vergunninghoudster.
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een geschil over een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning met een dakopbouw en een dakterras die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Verweerder verleende aanvankelijk een vergunning, maar na bezwaar werd deze herroepen en een nieuwe vergunning verleend op basis van aangepaste bouwtekeningen waarin vergunningvrije onderdelen waren toegevoegd.
Eisers stelden dat de vergunning onrechtmatig was verleend, onder meer omdat de aanbouw niet vergunningvrij zou zijn en de dakopbouw ten onrechte als bijbehorend bouwwerk was aangemerkt. De rechtbank overwoog dat de wijzigingen van ondergeschikte aard waren en dat de vergunning terecht was verleend, ook al overschrijdt de dakopbouw de maximale goothoogte.
Daarnaast werd het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit. De rechtbank wees verder de bezwaren van eiser af, onder meer omdat de bouwtekeningen en vergunningprocedure correct waren gevolgd en de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat de vergunning terecht was verleend en dat het beroep van eiser ongegrond is, terwijl het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het beroep van eiseres niet-ontvankelijk.