Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 27 juli 2015, met 15 producties;
- de conclusie van antwoord, met 12 producties;
- het tussenvonnis van 4 november 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2015 en de daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. A. Koert namens de curator van 21 maart 2016.
2.De feiten
- De elektrische installatie is aangelegd en wordt onderhouden overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften.
- Controle op de installatie en de werking ervan vindt plaats conform bepaling 5.3.3. van de meest recente NNI-uitgave “Bedrijfsvoering van elektrische installaties”. Deze controle wordt ten minste eenmaal per vijf jaar herhaald.
- Eventuele tekortkomingen en/of gebreken worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na constatering daarvan, verholpen.
- De bedrijfsruimte in het gebouw is voorzien van een beveiligingsinstallatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:- voor de installatie is een BORG-opleveringsbewijs afgegeven;- de beveiligingsklasse komt overeen met de risicoklasse;- de installatie wordt onderhouden op de met de installateur overeengekomen wijze.
- De dekking voor schade door diefstal of poging daartoe en vandalisme geldt alleen in die bedrijfsruimte.
- De beveiligingsinstallatie kan ten allen tijde naar behoren functioneren.
- De beveiligingsinstallatie is correct en volledig ingeschakeld zolang verzekerde of zijn personeel niet in de van de beveiligingsinstallatie voorziene bedrijfsruimte aanwezig is.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Vooralsnog ga ik er vanuit gelet op de uitlatingen van uw zijde dat de afwijzingsgrond - kort - brandstichting door cliënte (althans de heer [A] ) is”
.Toen de strafzaak op 25 juli 2012, enkele weken nadat de brief van 4 juli 2012 was verzonden, werd geseponeerd, stond het NN naar het oordeel van de rechtbank, gelet op genoemde omstandigheden, vrij zich jegens IMC op brandstichting en, in het verlengde daarvan, op onware verklaringen over de toedracht van de brand te beroepen, zoals zij dat heeft gedaan in haar brief van 18 september 2012.
€ 3.864 aan griffierecht en € 5.160 aan salaris advocaat (2 punten à € 2.580 volgens tarief VII). Hierover wordt de wettelijke rente toegewezen zoals door NN is verzocht. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010: BL1116, NJ 2011/237).