Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
opgevolgddoor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Tussen partijen is in geschil of hiervan in dit geval sprake is.
Rechtbank Den Haag
De werknemer was sinds 2001 in dienst bij de werkgever en raakte in 2012 arbeidsongeschikt door niet aangeboren hersenletsel. Na re-integratie startte hij in 2014 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aansluitend op zijn eerdere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die met wederzijds goedvinden was beëindigd. De werkgever beëindigde het dienstverband per 1 januari 2016 en bood een transitievergoeding aan. De werknemer stelde dat op grond van artikel 7:667 lid 4 BW Pro de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet van rechtswege was geëindigd omdat de vereiste opzegging ontbrak.
De kantonrechter stelde vast dat de opvolgende arbeidsovereenkomsten qua aard en vaardigheden in elkaars verlengde liggen, ondanks verschillen in uren, salaris en interne versus externe werkzaamheden, welke voortvloeien uit de ziekte van de werknemer. Hierdoor is sprake van opvolging in de zin van artikel 7:667 lid 4 BW Pro, wat ontslagbescherming biedt. Omdat de werkgever niet rechtsgeldig heeft opgezegd, is de arbeidsovereenkomst niet geëindigd.
De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot toelating van de werknemer tot zijn functie, betaling van achterstallig salaris over januari tot en met maart 2016 met rente, en tot betaling van de proceskosten. Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd en dus niet hersteld hoefde te worden.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet geëindigd wegens ontbreken van opzegging; werkgever wordt veroordeeld tot toelating werknemer en betaling achterstallig salaris.