ECLI:NL:RBDHA:2016:5686
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toegewezen tegen schorsing asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Verzoeker, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag voor een verblijfsvergunning in, die door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet in behandeling werd genomen omdat het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Verzoeker betwistte deze verantwoordelijkheid en verwees naar lopende prejudiciële vragen bij het HvJ, waarin wordt onderzocht of een asielzoeker tegen een overdrachtsbesluit kan opkomen.
De voorzieningenrechter nam de feiten aan dat verzoeker in 2007 in het VK vingerafdrukken had afgegeven en dat het VK een terugnameverzoek had geaccepteerd. Verzoeker stelde dat hij drie maanden buiten het Dublingebied verbleef en dat de jurisprudentie hierover in beweging is, met name de conclusies van Advocaat-Generaal Sharpston en het aanstaande arrest Ghezelbash.
Verweerder hield vast aan het arrest Shamso Abdullahi en stelde dat verzoeker niet kan opkomen tegen het overdrachtsbesluit. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker om het HvJ-arrest af te wachten groter is dan het belang van verweerder om het beroep nu af te doen. Daarom werd het besluit geschorst, verzoeker behandeld alsof hij nog in de aanvraagfase is, en werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten.
De uitspraak bevestigt dat asielzoekers onder bepaalde omstandigheden tegen overdrachtsbesluiten kunnen opkomen en dat nationale rechters de rechtmatigheid en feitelijke grondslag van dergelijke besluiten moeten toetsen, conform het Handvest van de grondrechten van de EU.
Uitkomst: Het besluit van de Staatssecretaris wordt geschorst en de asielaanvraag van verzoeker wordt behandeld alsof deze nog in behandeling is.