Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2015 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- een verklaring van zijn werkgever;
- een doktersverklaring; en
- een ondertekende overeenkomst ter zake van de verkoop van onroerend goed, waarvan eiser stelt dat deze verkoopakte is opgemaakt op 10 januari 2014 – in de periode dat eiser in Iran verbleef – en dat hij voor het sluiten hiervan in persoon aanwezig moest en het stuk ook heeft ondertekend.
- uitreisstempel;
- registeruittreksels van de derde staat (bewijs van het verblijf);
- stempel van een aan een lidstaat grenzende derde staat, rekening houden met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding;
- schriftelijk bewijs van de autoriteiten ter staving van de daadwekelijke verwijdering van de vreemdeling.
- gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;
- rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;
- rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat;
- uitreisstempel indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten;
- rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;
- vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;
- vervoersbewijzen;
- hotelrekeningen;
- afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz. in een derde staat;
- gegevens die aantonen dat de asielzoeker in een derde staat gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;
- andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.
Uit het arrest Shamso Abdullahi volgt dat, gezien de vergelijkbaarheid van bescherming in de lidstaten, geen recht voor de vreemdeling op beroep tegen de toepassing van een criterium ter vaststelling van de verantwoordelijkheid bestaat omdat de criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoekalleen de interstatelijke verhouding tussen de verzoekende en de aangezochte lidstaat betreffen. Verder blijkt uit zowel de considerans van Vo 604/2013 (5) als van Vo 343/2003 (4) dat met de Dublin-procedure met name snel moet kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen. Het voorgaande neemt niet weg dat vermeden moet worden dat Vo 604/2013 wordt toegepast op een wijze die strijd oplevert met artikel 13 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van Pro het Handvest. Uit de vaste rechtspraak van het HvJ-EU over het beginsel van effectieve rechtsbescherming volgt dat eenieder die een recht ontleent aan het Unierecht dat voor een rechter moet kunnen inroepen. Een bevestiging dat het beginsel van effectieve rechtsbescherming ook ten aanzien van een beroep in een Dublin-procedure opgaat, volgt uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak Petrosian van 29 januari 2009 (nr. C-19/08, JV 2009/166). Zo oordeelde het HvJ-EU in rechtsoverweging 48 van dit arrest over de vraag of beroep bij de bereiking van fatale Dublin-termijnen tevens hoger beroep omvat, dat ervan dient te worden uitgegaan dat het niet de bedoeling van de communautaire wetgever is geweest, de rechtsbescherming die wordt gegarandeerd door lidstaten waarvan de rechters de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbeslissing kunnen opschorten en zo de asielzoeker in staat stellen om de te zijnen aanzien gegeven beslissingen aan te vechten, op te offeren aan het vereiste dat asielverzoeken snel worden afgehandeld.
Vragen
ten aanzien van de feiten en het recht”. Verder wordt in de considerans (19) overwogen dat juridische waarborgen moeten worden ingebouwd ten aanzien van besluiten tot overdracht en dat “een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking [dient] te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.” In dit geval gaat het om “
de toepassing van deze verordening”.
2. Is in het geval de vreemdeling onder Vo 604/2013, evenals onder de werking van Vo 343/2003, in beginsel geen beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek om overname, het uitgangspunt van verweerder juist dat dit uitgangspunt slechts uitzondering lijdt in gezinssituaties als bedoeld in artikel 7 van Pro Vo 604/2013, of zijn ook andere bijzondere feiten en omstandigheden denkbaar op grond waarvan de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat?
3. Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat naast gezinssituaties ook andere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat, kunnen de feiten en omstandigheden zoals omschreven in rechtsoverweging 12 van deze uitspraak dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden vormen?
Beslissing
- verzoekt het HvJ-EU bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 27 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.