ECLI:NL:RBDHA:2016:582
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- L.M. Reijnierse
- D.A. Verburg
- H. Gorter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring wegens onvoldoende bewijs verblijf België
Eiser is ongewenst verklaard en uitgezet uit Nederland in 2006. Na meerdere afgewezen verzoeken tot opheffing van de ongewenstverklaring, diende hij in 2013 een nieuw verzoek in met als nieuw feit dat hij sinds 2011 een verblijfskaart in België bezit op basis van EU-richtlijn 2004/38. De rechtbank oordeelt dat dit een rechtens relevant nieuw feit is dat een inhoudelijke beoordeling rechtvaardigt.
Eiser stelt dat hij samen met zijn echtgenote in België heeft verbleven en daardoor rechten ontleent aan de richtlijn. Verweerder betwist dit en wijst op het feit dat eisers echtgenote niet is uitgeschreven uit Nederland en een bijstandsuitkering ontvangt, wat duidt op verblijf in Nederland. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn echtgenote samen langer dan drie maanden in België hebben verbleven.
Hierdoor kan eiser geen rechten ontlenen aan de richtlijn en dient het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring te worden getoetst aan de nationale openbare orde-criteria. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij samen met zijn echtgenote langer dan drie maanden in België heeft verbleven.