ECLI:NL:RVS:2014:3179
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing afgeleid verblijfsrecht voor derdelander op grond van EU-recht
De vreemdeling, een Nigeriaanse onderdaan, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Dit verzoek werd door de minister afgewezen en deze afwijzing werd door de rechtbank bevestigd. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De zaak werd geschorst in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van Richtlijn 2004/38/EG en artikel 21 VWEU Pro. Het Hof oordeelde dat een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familie zijn van een EU-burger die terugkeert naar zijn lidstaat van herkomst, alleen kan worden toegekend indien de EU-burger daadwerkelijk in een andere lidstaat heeft verbleven en daar een gezinsleven heeft opgebouwd of bestendigd volgens de voorwaarden van artikel 7 van Pro de richtlijn.
In deze zaak was vastgesteld dat de referent, de echtgenote van de vreemdeling en EU-burger, slechts korte verblijven had in Spanje, voornamelijk vakanties en een periode van twee maanden om werk te zoeken, wat niet voldeed aan de vereisten voor een daadwerkelijk verblijf. De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling daarom geen afgeleid verblijfsrecht toekomt en bevestigde de eerdere afwijzing van het verblijfsdocument. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verblijfsdocument bevestigd.