3.17.Bij brief van 25 februari 2016 heeft RVB, voor zover nu relevant, als volgt aan Base bericht:
“(…)
Zoals bekend heeft één van de afgewezen inschrijvers een kort geding tegen deze gunningsbeslissing aanhangig gemaakt en heeft de Staat aanleiding gezien de gunningsbeslissing aan u in te trekken voor nader beraad.
In de dagvaarding werd onder meer het standpunt ingenomen dat u zou moeten worden uitgesloten van deelname aan de aanbesteding wegens belangenverstrengeling, althans wegens een ongeoorloofde kennisvoorsprong. Tevens werd in de dagvaarding opgemerkt dat een medewerker u in de beoordelingsfase per e-mail zou hebben gevraagd of het daarbij gevoegde plan van aanpak van u was.
In uw incidentele conclusie tot tussenkomst geeft u terecht aan dat u een dergelijke e-mail niet heeft ontvangen. Helaas heeft het Rijksvastgoedbedrijf echter moeten vaststellen dat een dergelijke e-mail wel degelijk door de betreffende medewerker is verstuurd, zij het aan de winnende inschrijver op perceel 2. Volgend op deze e-mail heeft nog telefonisch contact plaatsgevonden tussen de betreffende medewerker en deze inschrijver. Tenslotte is gebleken dat de medewerker vertrouwelijke inschrijfstukken (niet afkomstig uit uw inschrijving) aan de winnende inschrijver op perceel 2 heeft toegezonden in de beoordelingsfase.
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft passende maatregelen genomen. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft zich ook genoodzaakt gezien de gehele aanbesteding nader te onderzoeken, waarbij tevens de vraag is gerezen of continuering van de aanbesteding nog wel aan de orde kan zijn.
Bevindingen
Opzet en verloop van de aanbestedingsprocedure
Voornoemde medewerker heeft niet alleen een grote rol gespeeld bij de beoordeling maar ook bij de opzet en uitvoering van (alle percelen van) de aanbesteding. Reeds bij de marktconsultatie was de medewerker nauw betrokken bij de dialoog die met de markt is gevoerd. Daaropvolgend heeft de medewerker mede de uitvraag van het Rijksvastgoedbedrijf bepaald. Na ontvangst van de inschrijvingen heeft de medewerker een belangrijke rol gehad in de onderhandelingsfase van deze aanbesteding en tenslotte heeft hij de inschrijvingen op alle percelen beoordeeld.
Door wat zich heeft voort gedaan in de beoordelingsfase en de grote betrokkenheid van de medewerker in de andere fasen, kan het Rijksvastgoedbedrijf niet langer garanderen dat alle fasen van de aanbesteding transparant en non-discriminatoir zijn verlopen. Een transparante en non-discriminatoire afronding van de aanbesteding kan niet worden gegarandeerd door uitsluitend een herbeoordeling.
Hier komt bij dat de evaluatie heeft uitgewezen dat meerdere onzorgvuldigheden in de procedure zijn gebleken.
Zo heeft het Rijksvastgoedbedrijf moeten concluderen dat anders dan bekendgemaakt in perceel 1 de uurtarieven die inschrijvers onder P2 moesten opgeven (paragraaf 7.7.1) niet zijn meegenomen bij de bepaling van de economisch meest voordelige inschrijving.
Voorts heeft het Rijksvastgoedbedrijf moeten concluderen dat niet eenduidig en conform de bedoelingen van het Rijksvastgoedbedrijf is bekendgemaakt welk gewicht ten aanzien van prijs en kwaliteit zou worden toegepast.
Conclusie
Op grond van voorgaande bevindingen heeft het Rijksvastgoedbedrijf besloten de aanbesteding (op alle percelen) af te breken en niet tot gunning over te gaan. Daar heeft het Rijksvastgoedbedrijf zich ook uitdrukkelijk het recht toe voorbehouden.
Betrokkenheid van Base Consultancy en [X] bij het voortraject
Ten overvloede deel ik u mede dat het Rijksvastgoedbedrijf zich lopende het hierboven omschreven traject tevens een oordeel heeft gevormd omtrent het standpunt van Grontmij Nederland B.V. in de dagvaarding van het kort geding. Het Rijksvastgoedbedrijf is van oordeel dat de betrokkenheid van u en uw onderaannemer [X] B.V. bij het voortraject van deze aanbesteding maakt dat inderdaad sprake is van ongeoorloofde voorkennis, waardoor het u mede op basis van de Gedragscode “Zo doen we zaken” niet vrij stond om op deze aanbesteding in te schrijven. Althans, het voortraject waarin u relevante kennis heeft opgedaan, had voor u minstens aanleiding moeten zijn om conform deze Gedragscode een belangenverstrengelingsplan in te dienen en bij het opstellen van de inschrijving en het voeren van de onderhandelingsgesprekken andere personen in te zetten dan betrokken bij het voortraject.
Het voorgaande leidt op grond van uitgangspunten 6, 7 en 9 uit de Gedragscode belangenverstrengeling Rijksgebouwendienst “Zo doen we zaken” tot uitsluiting:
Uitgangspunt 7:
“Een marktpartij die betrokken is inde pré aanbestedingmag:
(…)
b.nimmer inschrijven indien de informatie valt binnen categorie 3 (zeer vertrouwelijk).”
Nb. Dit laatste uitgangspunt verwijst naar de in uitgangspunt 2 opgenomen categorieën informatiestromen. Categorie 3 wordt daarin als volgt aangeduid:
“zeer vertrouwelijk: informatiebeveiliging noodzakelijk (bijvoorbeeld beoordeling van inschrijvingen)”
(…)
Ter zake uitgangspunt 8 merk ik nog op dat u exact dezelfde personen heeft ingezet bij het doen van uw inschrijving en bij de onderhandeling als die voorheen aan tafel zaten bij het Rijksvastgoedbedrijf als adviseur. De nauwe betrokkenheid van personen van Base Consultancy B.V en [X] B.V. in de voorbereiding van deze aanbesteding en de door hen opgedane informatie is niet verenigbaar met hun deelname aan inschrijverszijde.
Als de aanbesteding zou worden gecontinueerd kan op basis van het voorgaande niet aan Base Consultancy B.v. worden gegund.
Overigens zij daarbij opgemerkt dat onderdeel van het onderzoek binnen het Rijksvastgoedbedrijf is waarom de belangenverstrengeling niet eerder door het Rijksvastgoedbedrijf is opgemerkt en daar niet eerder maatregelen voor zijn genomen. Dit vormt mede reden om niet alleen uw inschrijving ongeldig te verklaren, maar ook om de aanbesteding niet te continueren.
(…)”