Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
V-nummer: [nummer]
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn echtgenote, referente, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bezit. De rechtbank oordeelt dat eiser en referente voorafgaand aan het vertrek uit Eritrea gehuwd waren en gedurende vier weken samenwoonden bij de familie van eiser, waarmee zij invulling hebben gegeven aan het gezinsleven.
De staatssecretaris had het bezwaar ongegrond verklaard omdat volgens hem geen feitelijke gezinsband was aangetoond. De rechtbank stelt vast dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op deze situatie en dat de aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet 2000 moet worden beoordeeld. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt eveneens, omdat dit buiten de toepasselijke bepalingen van de Vreemdelingenwet valt.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beveelt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de rechtbank de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.