ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt tot het gezin van referent te behoren voor mvv-aanvraag
De vreemdelingen dienden aanvragen in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij zij stelden feitelijk tot het gezin van de referent te behoren. De minister wees deze aanvragen af wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gezinsband, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen.
De rechtbank had de besluiten vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en motivering, maar de Raad van State oordeelt dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Er was geen bewijs van communicatieproblemen tijdens de gehoren en de vreemdelingen hadden voldoende gelegenheid om hun zienswijze te geven.
Verder is artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing, en het gehoor van de referent was adequaat. De Raad van State wijst ook de bezwaren af die waren gebaseerd op het EVRM, het Handvest van de EU, de Gezinsherenigingsrichtlijn en het IVRK, omdat deze niet van toepassing zijn of onvoldoende onderbouwd.
De minister mocht op basis van de tegenstrijdigheden in verklaringen en het ontbreken van een afdoende bewijs aannemen dat de vreemdelingen niet feitelijk tot het gezin van de referent behoorden. De beroepen worden ongegrond verklaard en het hoger beroep van de minister gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.