Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
deze uitspraak te ondertekenen
Rechtbank Den Haag
Eiser werkte sinds 1978 bij een bedrijf en was betrokken bij een verbetertraject vanwege functioneren. Na een incident in januari 2015 werd het verbetertraject beëindigd en vroeg eiser schriftelijk om een voorstel tot beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, waarop het bedrijf niet inging. Uiteindelijk verzocht eiser de kantonrechter om ontbinding, die dit per 1 juli 2015 toekende met een vergoeding.
Eiser vroeg een WW-uitkering aan, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde uitbetaling omdat eiser verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontslag te nemen, terwijl voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Eiser betwistte dit en stelde dat het vertrouwen onherstelbaar was en het bedrijf ernstig verwijtbaar handelde.
De rechtbank stelde vast dat hoewel er contact was geweest tussen eiser en het bedrijf, eiser niet bereid was om alternatieve functies te onderzoeken. De jurisprudentie bepaalt dat werkloosheid na eigen verzoek tot ontbinding in beginsel verwijtbaar is, tenzij uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd.
Daarom was de weigering van de WW-uitkering terecht. Ook het subsidiaire verzoek tot gedeeltelijke uitkering werd afgewezen omdat het aandeel van het bedrijf in de verstoorde relatie niet zodanig was dat verwijtbare werkloosheid niet in overwegende mate aan eiser kon worden toegerekend. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.