ECLI:NL:CRVB:2011:BP2983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werknemer
Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV is geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, zoals bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. De voorzieningenrechter heeft dit besluit bevestigd en de Raad toetst dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overweegt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Re-integratiepogingen, waaronder begeleiding naar ander werk en een assessment, waren adequaat en appellant werkte niet mee aan de re-integratie via HR Solutions, wat verwijtbaar is. Ook het niet benutten van de mogelijkheid tot herplaatsing wordt als verwijtbaar beschouwd.
De Raad concludeert dat de werkloosheid verwijtbaar is omdat appellant zelf het verzoek tot ontbinding heeft ingediend en de ontbinding niet heeft ingetrokken binnen de gestelde termijn. Er zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die dit oordeel rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid na ontbinding op verzoek van appellant.