ECLI:NL:RBDHA:2016:868
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling minderjarige
De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarig kind geboren in 2002. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 24 januari 2016. Het verzoek tot verlenging voor een jaar is behandeld door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 18 januari 2016.
De moeder heeft onvoldoende pedagogische en financiële draagkracht, waardoor het kind en haar zusje bij de vader verblijven. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk noodzakelijk vanwege spanningen en loyaliteitsconflicten binnen het gezin. Inmiddels gaat het redelijk goed met het kind, ook op school, maar de omgang tussen ouders en kind verloopt onrustig en de hulpverlening loopt moeizaam.
De vader voert verweer en stelt dat het kind meer last heeft van de jeugdbescherming dan dat zij er baat bij heeft. Hij is van mening dat de situatie nu goed is en wil alleen hulp inschakelen indien nodig. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet zijn vervuld, omdat er geen ernstige bedreiging is voor de ontwikkeling van het kind. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De kinderrechter benadrukt dat het aan de vader is om aan de bel te trekken indien de situatie verslechtert. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en belanghebbenden via de griffie van het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen wegens onvoldoende wettelijke gronden.