ECLI:NL:RBDHA:2016:8877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2016
Publicatiedatum
29 juli 2016
Zaaknummer
AWB 16/11191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:55c Awb
Verwijzingen
22 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslistermijn verlenging bij asielaanvraag vóór 11 februari 2016 niet rechtsgeldig toegepast

Eiseres diende op 26 oktober 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in. Verweerder stelde dat de beslistermijn met ingang van 11 februari 2016 met maximaal negen maanden is verlengd op grond van WBV 2016/3. De rechtbank overweegt dat deze verlenging niet automatisch geldt voor aanvragen ingediend vóór 11 februari 2016. Voor deze aanvragen moet op individueel niveau worden beoordeeld of verlenging nodig is en moet de aanvrager schriftelijk worden geïnformeerd.

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schriftelijke kennisgeving van verlenging aan eiseres is verzonden. Hierdoor is de beslistermijn niet rechtsgeldig verlengd en is verweerder te laat met het nemen van een besluit. Eiseres stelde verweerder in gebreke en diende vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt vast dat verweerder een dwangsom van €1260,00 heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van €18,60. Omdat inmiddels een besluit is genomen, wordt geen verdere beslissing op de aanvraag opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en stelt vast dat verweerder een dwangsom van €1260,00 heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 16/11191

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],
geboren op [geboortedatum] ,
Statenloos,
V-nummer [v-nummer], eiseres,
(gemachtigde: mr. F. Engelbertink),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).16/11191

Procesverloop

Op 26 oktober 2015 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Op 28 april 2016 heeft eiseres verweerder vanwege het uitblijven van een besluit op haar aanvraag in gebreke gesteld.
Op 22 mei 2016 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is, gevoegd met tien soortgelijke beroepen, behandeld ter zitting van 8 juli 2016. Eiseres en haar gemachtigde zijn daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij artikel 6:2, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld, zodat daartegen op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb beroep kan worden ingesteld.
2. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
Ingevolge het vijfde lid kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
3. Hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft verweerder een reëel besluit genomen, waartegen het beroep van eiseres zich thans richt. Bij brief van 4 juli 2016 heeft eiseres de rechtbank verzocht te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt. De rechtbank leest dit aldus dat eiseres de rechtbank verzoekt de verbeurde dwangsom vast te stellen ter zake van het niet tijdig beslissen. In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op de verbeurde dwangsom. Deze gang van zaken heeft als gevolg dat eiseres belang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit.
4. In artikel 4:13, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zo’n termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bedraagt de beslistermijn in dit geval zes maanden.
Ingevolge artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 kan de beslistermijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.
Ingevolge artikel 42, zevende lid, stelt onze Minister de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.
Artikel 3.120 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat indien de termijn voor het geven van de beschikking op grond van artikel 42, vierde lid, van de Wet wordt verlengd, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis wordt gesteld. Bij de kennisgeving wordt aangegeven op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt.
5. In Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2016/3 (Stcrt. 2016, 7573) staat dat verweerder met ingang van 11 februari 2016 gebruik zal maken van de in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid om in individuele zaken de beslistermijn met maximaal negen maanden te verlengen. In de toelichting op dat besluit staat dat vreemdelingen die met ingang van 11 februari 2016 een asielaanvraag indienen, zullen worden geïnformeerd over de verwachte behandelduur van hun aanvraag. Voor de reeds ingediende aanvragen wordt de termijn van zes maanden als richtsnoer aangehouden die in het beleid vermeld werd op het moment dat die aanvragen werden ingediend. Het is wenselijk dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de randvoorwaarden van de behandeling van de aanvraag wijzigen gedurende de behandeling daarvan. Dat neemt niet weg dat de werkvoorraden bij de IND zodanig zijn dat niet steeds binnen die termijn beslist zal kunnen worden. Indien er ondanks alle inspanningen niet beslist kan worden binnen zes maanden, zal de termijn van deze zaken tevens op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, Vw 2000, worden verlengd.
6.1
Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de beslistermijn met WBV 2016/3 voor alle lopende asielaanvragen van rechtswege is verlengd. Eiseres wijst daartoe op de toelichting op deze WBV waaruit duidelijk volgt dat, zeker ook voor aanvragen die zijn ingediend voor 11 februari 2015, op individueel niveau zal worden beoordeeld of verlengen van de beslistermijn is aangewezen. Verweerder had eiseres dus moeten informeren over het verlengen van de beslistermijn, zoals ook volgt uit artikel 42, zevende lid, van de Vw 2000. Verder schrijft artikel 31, derde en zesde lid, van de Procedurerichtlijn ook voor dat de verzoeker in kennis wordt gesteld van het uitstel. Nu de beslistermijn niet rechtsgeldig is verlengd heeft verweerder te laat op de aanvraag beslist.
6.2
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de toelichting op WBV 2016/3, in het bijzonder de passage “Het besluit om de beslistermijn te verlengen (…) uit het beleid blijkt dat sprake is van dergelijke situatie”, ondubbelzinnig volgt dat niet is bedoeld dat de verlenging per zaak kenbaar wordt gemaakt middels een individuele brief. De individueel bepaalde verlengingsmogelijkheden zijn zelfs uit de tekst van het beleid geschrapt. Voor alle nieuwe en lopende zaken geldt dat met de publicatie van de WBV de beslistermijn is verlengd. Daarmee is ook voldaan aan het gestelde in artikel 42, zevende lid, van de Vw 2000. De IND probeert de vreemdeling middels een informerende brief op de hoogte te stellen van de datum waarop de verlenging eindigt maar die brief wordt onverplicht verzonden nu uit de wet voortvloeit dat een dergelijke mededeling alleen hoeft te worden gedaan als de vreemdeling erom verzoekt. Met de passage in de toelichting op de WBV die ziet op aanvragen die voor 11 februari 2016 zijn ingediend wordt nadrukkelijk niet bedoeld dat de categoriale verlenging voor die zaken niet zou gelden.
6.3
De rechtbank overweegt dat in WBV 2016/3 melding wordt gemaakt van het besluit van verweerder om met ingang van 11 februari 2016 gebruik te maken van zijn uit artikel 42, vierde lid, van de Vw 2000 voortvloeiende bevoegdheid om de beslistermijn te verlengen. Uit de toelichting op dit besluit volgt dat dit (in ieder geval) betrekking heeft op aanvragen die vanaf 11 februari 2016 zijn ingediend.
Dat het besluit ook betrekking heeft op aanvragen die zijn ingediend vóór 11 februari 2016, zoals verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. In de toelichting staat immers dat voor reeds ingediende aanvragen de termijn van zes maanden als richtsnoer wordt aangehouden maar dat dit niet wegneemt dat indien er ondanks alle inspanningen niet beslist kan worden binnen zes maanden, de termijn van deze zaken tevens op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 zal worden verlengd. Dat impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat de beslistermijn van deze categorie zaken niet met het besluit is verlengd en dat verweerder voor aanvragen van voor 11 februari 2016 aan de bevoegdheid tot verlenging invulling geeft door op individueel niveau te beoordelen of de termijn moet worden verlengd. Uit artikel 3.120 van het Vb 2000 volgt dan dat de aanvrager over die verlenging schriftelijk wordt geïnformeerd. Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank in de handelwijze van verweerder in een aantal zaken, ook die van eiseres, die eruit bestaat dat de aanvrager schriftelijk wordt geïnformeerd over de verlenging van de beslistermijn met negen maanden. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat individuele beoordeling en individuele kennisgeving nadrukkelijk niet is beoogd. Daargelaten dat dit door verweerder niet nader is onderbouwd, volgt uit de tekst die in de WBV is opgenomen en uit de handelwijze van verweerder iets anders.
De rechtbank concludeert dat de beslistermijn die ten aanzien van de door eiseres ingediende aanvraag gold niet middels WBV 2016/3 is verlengd.
7.1
Bij brief van 22 april 2016 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de beslistermijn voor zijn aanvraag is verlengd van maximaal zes maanden tot maximaal vijftien maanden. Verweerder heeft daarbij gewezen op de sterke toename van het aantal asielaanvragen in Europa en Nederland en op het feit dat het daardoor niet meer mogelijk is om alle asielaanvragen zorgvuldig én op tijd te behandelen.
7.2
Eiseres heeft verklaard dat zij deze brief niet heeft ontvangen.
7.3
Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:715), overweegt de rechtbank dat als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het stuk is verzonden. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en er een deugdelijke verzendadministratie is.
7.4
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat, door de grote hoeveelheid brieven die verstuurd moest worden in korte tijd, is verzuimd om deze brief in de verzendadministratie op te nemen.
7.5
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 22 april 2016 is verzonden.
8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de termijn om op de aanvraag van eiseres te beslissen niet rechtsgeldig verlengd.
9. Verder constateert de rechtbank dat eiseres verweerder bij formulier van 28 april 2016, door verweerder blijkens de bevestiging op 29 april 2016 ontvangen, in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank is er rechtsgeldig in gebreke gesteld. Nu eiseres op 22 mei 2016 beroep heeft ingesteld is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan.
10. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.
11. Ingevolge artikel 8:55c van de Awb stelt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast.
Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
Ingevolge het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,00 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,00 per dag en de overige dagen € 40,00 per dag, met een maximum van € 1.260,00.
Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de bezwaarmaker een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen, in dit geval 14 mei 2016. Nadien zijn 42 dagen verstreken tot het moment dat verweerder bij besluit van 24 juni 2016 alsnog een besluit heeft genomen.
Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de door verweerder verbeurde dwangsom € 1260,00.
12. Omdat verweerder inmiddels een besluit op de aanvraag heeft bekendgemaakt, zal de rechtbank verweerder niet op de voet van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb opdragen alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Met toepassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder C1, zal de wegingsfactor zeer licht (0,25) worden gehanteerd. Het gaat hier immers uitsluitend om de vraag of de beslistermijn is overschreden waarbij geen beoordeling plaatsvindt van het materiële geschil. De rechtbank is verder van oordeel dat in tien van de elf ter zitting behandelde beroepen sprake is soortgelijke zaken waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Bpb is verleend door dezelfde persoon van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek is. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb moeten deze tien samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Er is evenwel sprake van meer dan vier samenhangende zaken zodat de wegingsfactor 1,5 bedraagt (C2 van de bijlage bij het Bpb). De rechtbank zal het toe te delen punt voor het indienen van het beroepschrift gelijkelijk over de tien zaken verdelen en stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht aldus vast op € 18,60 (1/10 punt voor het indienen van het beroepschrift, maal 0,25 voor het gewicht van de zaak, maal 1,5 voor meer dan vier samenhangende zaken, maal € 496,00).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb heeft verbeurd van in totaal
€ 1260,00;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van
€ 18,60.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van
drs. M.P. de Zwart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Artikel 85 van Pro de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.