Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser onderscheiden in de volgende relevante elementen:
- zijn identiteit en Albanese nationaliteit;
- het huiselijk geweld en de daaruit voortvloeiende problemen met zijn vader. Verweerder heeft beide elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft vervolgens op basis van het geloofwaardig geachte relaas van eiser geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, aanwezig geacht, omdat Albanië een veilig land van herkomst is en niet is gebleken dat Albanië zijn verdragsverplichtingen jegens eiser niet nakomt. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser naar aanleiding van de mishandeling door zijn vader heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Verweerder heeft tevens de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser onvoldoende zwaarwegend geacht voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar Albanië zal worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat de gevolgen van huiselijk geweld niet zijn aan te merken als ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Daarnaast heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, in samenhang met de artikelen artikel 3.6a, onder c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb. Verweerder heeft daartoe ter zitting verwezen naar zijn standpunt in het bestreden besluit dat niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om contact op te nemen met zijn moeder en dat deze zich niet in het land van herkomst bij hem zou kunnen voegen. Voorts is niet gebleken dat in geval van Albanië niet wordt voldaan aan het minimale bestaansniveau waardoor terugkeer van eiser, indien hij zich niet bij zijn moeder zou kunnen voegen, een schending van zijn menselijke waardigheid in de zin van artikel 1 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) zal meebrengen. In Albanië bestaan opvang- en beschermingsmogelijkheden voor minderjarigen.
De verwijzing door eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2016 leidt niet tot een ander oordeel. De zaak die heeft geleid tot voornoemde uitspraak heeft betrekking op vreemdelingen die behoren tot de Roma bevolkingsgroep. Niet in geschil is dat eiser daartoe niet behoort. De verwijzing in die zaak naar de voortgangsrapportage van de Europese Commissie van 10 november 2015, waaruit blijkt dat Roma in Albanië geconfronteerd worden met zeer moeilijke leefomstandigheden en met frequente sociale uitsluiting en discriminatie als gevolg van niet effectieve implementatie van beleid en slechte (inter)institutionele samenwerking, heeft daarom in de zaak van eiser geen relevante betekenis.
De beroepsgrond slaagt niet.
Albanien – Aktuelle Lage, Rechtsstaatlichkeit, Menschenrechtslage, van oktober 2015 (p. 30). Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder garanties heeft verkregen van de Albanese autoriteiten voor de opvang van eiser bij terugkeer, zodat zijn uitzetting volgens eiser in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Daartoe verwijst eiser naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12 (www.hudoc.echr.coe.int) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 24 februari 2014, in de zaak Saciri, C-79/13 (www.curia.europa.eu).
De beroepsgrond slaagt niet.
De beroepsgrond slaagt niet.
De beroepsgrond slaagt niet.