ECLI:NL:RBDHA:2017:10090
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Iraakse soenniet wegens ongeloofwaardig asielrelaas
Eiser, een Iraakse soenniet, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, gebaseerd op een verhaal van beschieting, ontvoering en mishandeling door sjiitische milities. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat essentiële onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig werden bevonden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van verschillende elementen heeft betwijfeld, zoals de beschieting van de auto in 2006, de ontvoering in 2008, het rondzwerven tussen 2006 en 2015 en de poging tot ontvoering in 2015. Ook wisselende verklaringen over het paspoort en het ontbreken van gedetailleerde gegevens over verblijfplaatsen ondermijnen de geloofwaardigheid.
Daarnaast verwijst de rechtbank naar recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat soennieten in Bagdad niet systematisch worden blootgesteld aan ernstige risico's zoals bedoeld in artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Gezien deze omstandigheden is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens een ongeloofwaardig asielrelaas.