ECLI:NL:RBDHA:2017:10950
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht aan Zweden op grond van Dublinverordening
Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 10 april 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zweden verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat overdracht aan Zweden een onevenredige hardheid zou betekenen omdat hij homoseksueel is en in Nederland een sociaal netwerk heeft opgebouwd dat hij in Zweden opnieuw zou moeten opbouwen. Hij beriep zich op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, dat lidstaten toestaat om in afwijking van de normale criteria een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen bij bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid en dat het standpunt van verweerder, dat de omstandigheden van eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die overdracht onevenredig hard maken, redelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees tevens het verzoek tot proceskostenveroordeling af.
De uitspraak werd gedaan door rechter C. van Boven-Hartogh op 17 augustus 2017 en is openbaar. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht aan Zweden op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.