ECLI:NL:RBDHA:2017:10953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
NL17.7098
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 lid 4 Verordening EU nr. 604/2013Art. 17 lid 1 Verordening EU nr. 604/2013Art. 3 lid 1 Verordening EU nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Armeense burger, diende op 6 april 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Polen had dit bevestigd na een overnameverzoek van Nederland.

Eiser voerde aan dat hij psychische klachten heeft die een overdracht aan Polen onredelijk maken, en dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn medische situatie en de beschikbaarheid van zorg in Polen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat zijn gezondheidstoestand zodanig is dat overdracht tot ernstige verslechtering leidt.

De rechtbank vond dat verweerder terecht geen gebruik maakte van de hardheidsclausule en dat er geen aanwijzingen zijn dat Polen zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.7098

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.7099, plaatsgevonden op 7 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Jesajan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en is Burger van Armenië. Hij heeft op 6 april
2017 een asielaanvraag ingediend.
2. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser op 24 januari 2017 door de Poolse autoriteiten in het bezit is gesteld van een visum, geldig van 4 februari 2017 tot 28 februari 2017. Verweerder heeft daarom op 26 april 2017 aan de Poolse autoriteiten gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van Verordening EU nr. 604/2013 (Dublinverordening). De Poolse autoriteiten hebben op 12 mei 2017 de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van eiser geaccepteerd.
3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan.
4. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
6. Verweerder kan ook in individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening indien betrokkene op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt. Hij geeft hierbij toepassing aan paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend.
7. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser met zijn verklaringen, noch met het overleggen van zijn GCA patiëntendossier aannemelijk heeft gemaakt dat hij lijdt aan een geestelijke of lichamelijke ziekte, waarbij overdracht zal leiden tot een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Eisers medische gesteldheid vóórdat hij in 2015 is teruggekeerd naar Armenië is daarvoor niet doorslaggevend, nog daargelaten dat die niet in de weg heeft gestaan aan eisers uitzetting destijds. Uit de recente informatie blijkt weliswaar van psychische klachten, waaronder depressie, maar niet van suïcidaliteit, zoals de gemachtigde van eiser suggereert.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder reeds bij het indienen van het overnameverzoek melding had moeten maken van bedoelde psychische klachten. Verweerder heeft bij zijn overnameverzoek alle relevante elementen aan de hand waarvan de verantwoordelijkheid van Polen kon worden vastgesteld, meegedeeld. Mocht eiser op het moment van overdracht onmiddellijk medische zorg nodig hebben, zal verweerder dit voorafgaand aan de overdracht aan Polen moeten meedelen.
9. Voor zover eiser (verdere) medische behandeling behoeft, heeft verweerder, met verwijzing naar de Europese asielrichtlijnen, terecht overwogen dat voor eiser in Polen vergelijkbare behandelmogelijkheden voorhanden zijn. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen en volgt eiser niet in diens stelling dat verweerder navraag had moeten doen naar beschikbare behandelmogelijkheden in Polen. Evenmin valt in te zien dat verweerder tijdens het gehoor had moeten doorvragen naar ervaringen van eiser met behandeling in Polen, nu uit de stukken blijkt dat eiser hier slechts zeer kort heeft verbleven.
10. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Polen zich na overdracht niet aan zijn internationale verplichtingen zal houden. Verweerder heeft ervan af kunnen zien om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken.
11. Voor zover eiser nog heeft geklaagd dat bepaalde stukken eerst bij het bestreden besluit zijn toegezonden, is de rechtbank niet gebleken in welk opzicht dat in de weg heeft gestaan aan het formuleren van beroepsgronden.
12. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel