ECLI:NL:RBDHA:2017:1170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Moeder niet-ontvankelijk in verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Spanje bij internationale kinderontvoering
De moeder heeft een verzoek ingediend tot onmiddellijke terugkeer van haar minderjarige kind naar Spanje op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. De vader en moeder waren in een kort geding overeengekomen dat het kind voorlopig bij de vader in Nederland zou verblijven totdat mediation of een bodemprocedure anders zou beslissen. De vader startte een bodemprocedure waarin werd vastgesteld dat de gewone verblijfplaats van het kind bij hem is. De moeder stelde hiertegen hoger beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek van de moeder niet strookt met de gemaakte afspraak in het kort geding en dat zij eerst de uitkomst van de bodemprocedure had moeten afwachten. De moeder had bewust ingestemd met het voorlopige verblijf van het kind bij de vader en was juridisch bijgestaan. Daarom verklaart de rechtbank haar verzoek niet-ontvankelijk.
Omdat de moeder niet-ontvankelijk wordt verklaard, komt de rechtbank niet toe aan haar verzoeken om voorlopige voogdij toe te wijzen of om vergoeding van kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding. De proceskosten worden door partijen ieder voor eigen rekening gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje.