ECLI:NL:RBDHA:2017:11863
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Tj. Gerbranda
- J.H. van Breda
- R. Ortlep
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens gevaar voor openbare orde
Eiser verblijft sinds 1980 in Nederland en bezit sinds 1989 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder heeft deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een inreisverbod van tien jaar opgelegd omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is onherroepelijk veroordeeld voor meerdere ernstige misdrijven, waaronder diefstal met geweld, zware mishandeling, verkrachting en opiumdelicten.
Eiser betoogde dat intrekking van zijn vergunning en het inreisverbod in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro (recht op privé- en gezinsleven). De rechtbank oordeelt dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt waarbij het algemeen belang bij het beschermen van de openbare orde zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. De banden van eiser met Nederland zijn niet zodanig bijzonder dat intrekking een disproportionele inbreuk vormt.
De rechtbank verklaart het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk omdat het inreisverbod het belang van eiser raakt. Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser een actuele, reële en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. De langdurige detenties en recidive van eiser ondersteunen deze conclusie.
De rechtbank wijst erop dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat het gezinsleven in Marokko onmogelijk is en dat zijn partner en haar kind weinig binding met Nederland hebben. Ook is niet gebleken van een daadwerkelijke gedragsverandering. De belangenafweging is volgens de rechtbank in overeenstemming met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De uitspraak bevestigt dat ernstige strafbare feiten en recidive kunnen leiden tot intrekking van een verblijfsvergunning en oplegging van een inreisverbod, ook na langdurig verblijf, mits een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.