ECLI:NL:RBDHA:2017:12507
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verordening
Verzoekster, een Iraakse vrouw die meerdere asielprocedures in Nederland heeft doorlopen, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder stelde het verzoek niet in behandeling op grond van de Dublin III-verordening, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Verzoekster voerde nieuwe feiten aan, waaronder haar zwangerschap en gezinssituatie, en stelde dat Nederland de aanvraag alsnog moest behandelen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat deze nieuwe feiten geen rechtens relevante nova vormen. Het beroep op artikel 9 en Pro 16 van de Dublin-verordening faalde omdat de echtgenoot van verzoekster geen internationale bescherming geniet en niet als familielid in de zin van de verordening wordt aangemerkt. Ook ontbrak onderbouwing van de onveilige situatie in Spanje en medische bewijsvoering dat verzoekster niet zou mogen reizen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht en gemotiveerd het verzoek buiten behandeling heeft gesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening tot uitzettingsverbod werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening tot uitzettingsverbod is afgewezen.