ECLI:NL:RBDHA:2017:12521
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheidsverdeling binnen EU
Eiser, een Egyptische vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning in Nederland. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de asielprocedure op grond van de Dublin-verordening. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat hij en zijn zoon de asielprocedure in Nederland wilden doorlopen en dat de procedure in Duitsland de ontwikkeling van zijn zoon zou schaden.
De rechtbank overwoog dat de Dublin-verordening bepaalt dat slechts één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek en dat Nederland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan van de verantwoordelijkheid van Duitsland. De intentie van eiser om in Nederland asiel aan te vragen is niet bepalend voor de verantwoordelijke lidstaat. Ook het feit dat zijn zoon eerder in Nederland verbleef, rechtvaardigt geen afwijking van deze regel.
De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die de staatssecretaris zouden moeten bewegen de aanvraag toch in behandeling te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.