ECLI:NL:RBDHA:2017:128
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband
Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, diende op 30 mei 2016 een aanvraag in voor een visum kort verblijf. Deze aanvraag werd op 10 juni 2016 afgewezen door verweerder omdat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet aannemelijk had gemaakt, met name de familieband die zij stelde te hebben met haar dochter, schoonzoon en kleinkinderen.
Eiseres voerde in beroep aan dat zij niet beschikte over officiële documenten om deze familieband te bewijzen en dat verweerder haar en haar dochter in de bezwaarfase had moeten horen. Tevens stelde zij dat haar sociale binding met Afghanistan sterk was, in tegenstelling tot de opmerking van verweerder.
De rechtbank oordeelde dat het aan eiseres was om met objectief verifieerbare bewijsstukken de familieband aannemelijk te maken. De overgelegde foto van het huwelijk van haar dochter volstond niet als bewijs. Het ontbreken van bewijs kwam voor haar eigen rekening en verweerder had terecht het bezwaar ongegrond verklaard en afgezien van het horen in bezwaar.
De rechtbank stelde vast dat de verwijzing naar de sociale binding met Afghanistan in het bestreden besluit een overweging ten overvloede was en niet leidde tot afwijzing op die grond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de familieband.