ECLI:NL:RBDHA:2017:13099
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking vergoeding rechtsbijstand in parkeerboetezaak zonder invalidekaart
Eiseres, werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma van de Raad voor Rechtsbijstand, had een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in een procedure over een sanctie wegens parkeren zonder geldige invalidenkaart. Na een steekproef waarbij een hoog foutpercentage werd vastgesteld, trok verweerder de vergoeding van de toevoeging in op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat de zaak redelijkerwijs door de aanvrager zelf kon worden behartigd.
Eiseres voerde aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van zelfredzaamheid in zaken over de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en zorgvuldig tot stand is gekomen. Tevens stelde zij dat het besluit in strijd is met artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft en dat het beleid om in Wahv-zaken geen toevoeging te verlenen gerechtvaardigd is vanwege de financiële beheersbaarheid van het rechtsbijstandssysteem. Er waren geen omstandigheden die juridische bijstand noodzakelijk maakten. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalt omdat de beperking proportioneel is en een gerechtvaardigd doel dient. Ook is geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergoeding van de toevoeging wordt ongegrond verklaard.