ECLI:NL:RBDHA:2017:13221
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag minderjarige Afghaanse Hazara wegens onduidelijke identiteit en herkomst
Eiser, een minderjarige Afghaanse Hazara, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen door de Minister van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. De afwijzing was gebaseerd op tegenstrijdige verklaringen van eiser over zijn identiteit en onvoldoende geloofwaardige informatie over zijn herkomst.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zorgvuldig te werk is gegaan conform de Werkinstructie 2014/10 en dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verhaal toe te lichten. Het beroep op artikel 22 van Pro het IVRK werd verworpen omdat verweerder de belangen van het kind voldoende heeft betrokken.
De rechtbank stelde vast dat eiser in het Eurodac-systeem andere gegevens had opgegeven dan in Nederland, en dat hij geen documenten kon overleggen ter bevestiging van zijn identiteit. Ook kon hij weinig concreets vertellen over zijn herkomst uit Bamian. Hierdoor kon zijn identiteit en herkomst niet worden vastgesteld, wat leidde tot afwijzing van zijn asielaanvraag.
Verder werd het beroep op artikel 3 EVRM Pro afgewezen op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zijn aanvraag te staven en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard wegens onduidelijke identiteit en herkomst.