ECLI:NL:RBDHA:2017:13504
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf in kader nareis wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie
Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie tot afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag was gericht op het overkomen van zijn dochter, die eerder een verblijfsvergunning asiel had gekregen.
De rechtbank oordeelt dat eiser zijn identiteit niet met officiële documenten heeft aangetoond. De overgelegde kopie van een Eritrese identiteitskaart is onleesbaar en de Israëlische documenten zijn niet afkomstig van Eritrese autoriteiten. Ook de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn dochter is niet aannemelijk gemaakt, ondanks het feit dat volgens het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken Eritrese autoriteiten familieregisters bijhouden.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert of dat hij heeft geprobeerd de benodigde documenten te verkrijgen. Hierdoor is een identificerend gehoor of DNA-onderzoek niet aan de orde. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt eveneens omdat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. Ook het beroep op schending van de hoorplicht wordt verworpen omdat het bestuursorgaan terecht afzag van het horen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aanvraag af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard.