Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2017 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse nationaliteit bezittende werknemer, had rechtmatig verblijf in Nederland van januari tot december 2012 en opnieuw van januari 2014 tot juli 2015. Verweerder stelde vast dat het rechtmatig verblijf van eiser van rechtswege is geëindigd omdat hij in 2013 niet heeft gewerkt en niet was ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had tot het primaire besluit van 19 september 2016 en dat verweerder ten onrechte niet had beoordeeld of er sprake was van een onredelijk beroep op sociale bijstand. De rechtbank oordeelt dat het verblijf van rechtswege is geëindigd en dat verweerder terecht niet heeft beoordeeld of het beroep op sociale bijstand gevolgen had voor het verblijfsrecht.
Voorts stelde verweerder dat eiser niet als werkzoekende kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van een reële kans op werk en dat ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro gerechtvaardigd was. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond tijdelijk arbeidsongeschikt te zijn en dat verweerder niet bevoegd was tot ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro in deze procedure.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat het rechtmatig verblijf van eiser is geëindigd wordt ongegrond verklaard.