ECLI:NL:RBDHA:2017:14766
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.C.J.A. Huijgens
- M.A. Dirks
- T. van Rij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omkering bewijslast en matiging vergrijpboetes bij niet-ingediende belastingaangiften 2011-2013
De rechtbank Den Haag behandelde de beroepen van eiser tegen ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over de jaren 2011, 2012 en 2013, inclusief de daarbij opgelegde vergrijpboetes en heffingsrente. Eiser had de vereiste aangiften niet gedaan, waardoor de bewijslast werd omgekeerd en verzwaard. De Belastingdienst had het inkomen en vermogen van eiser en zijn echtgenote op basis van een memo en diverse in beslag genomen documenten vastgesteld en geschat.
Eiser voerde aan dat de aanslagen te hoog waren en dat hij niet correct was gehoord in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat eiser niet in zijn procesbelangen was geschaad, dat de stukken tijdig waren overgelegd en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om de redelijkheid van de schattingen aan te tasten. De rechtbank bevestigde dat eiser opzettelijk geen aangifte had gedaan, waardoor de vergrijpboetes terecht waren opgelegd. Gezien de omkering van de bewijslast en overschrijding van de redelijke termijn matigde de rechtbank de boetes tot 70% van het oorspronkelijke bedrag.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond voor zover zij betrekking hadden op de vergrijpboetes, matigde deze boetes en verklaarde de beroepen voor het overige ongegrond. Tevens veroordeelde zij de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 december 2017.
Uitkomst: De rechtbank matigt de vergrijpboetes tot 70% en verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de boetes, verder ongegrond.