Eiseres, een transgender vrouw uit Cuba, diende een asielaanvraag in vanwege ernstige problemen die zij ondervond in haar land, waaronder discriminatie, mishandeling en bedreiging door zowel medeburgers als autoriteiten. Zij werd herhaaldelijk beboet voor het dragen van vrouwenkleding, mishandeld door politie en gevangenisbewakers, en bedreigd door een wijkopzichter. Na haar vertrek uit Cuba werden oproepen van de autoriteiten op haar adres bezorgd.
Verweerder erkende het geloofwaardige karakter van het asielrelaas, maar oordeelde dat de vrees voor vervolging niet reëel was en wees de aanvraag af. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiseres bescherming van de Cubaanse autoriteiten kon inroepen en waarom de problemen geen onhoudbare situatie vormden. Ook werden de oproepen niet adequaat betrokken in de beoordeling.
De rechtbank stelde vast dat de grensprocedure niet onredelijk lang had geduurd en wees het verzoek om schadevergoeding af. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten voor eiseres en droeg hem op een nieuw besluit te nemen, waarbij het geloofwaardig geachte asielrelaas opnieuw en zorgvuldig moet worden beoordeeld.