Eiser, een Cubaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in na meerdere arrestaties, huisarrest, economische discriminatie en bedreigingen vanwege zijn lidmaatschap van de oppositieorganisatie UNPACU en deelname aan demonstraties. Verweerder wees de aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de verklaringen van eiser weliswaar geloofwaardig acht, maar ten onrechte concludeerde dat de daden van vervolging niet ernstig genoeg zijn. De rechtbank benadrukt dat het cumulatieve patroon van intimidatie, waaronder arrestaties, mishandeling en bedreiging met gevangenisstraf voor een fictief delict, een ernstige schending van het grondrecht op vrije meningsuiting vormt.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser.