ECLI:NL:RBDHA:2017:15539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2017
Publicatiedatum
3 januari 2018
Zaaknummer
AWB 17/11570
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2q Vreemdelingenwet 2000Art. 11 lid 2 Richtlijn 2003/86/EG
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke feitelijke gezinsband in nareisprocedure

Eisers, beiden met de Eritrese nationaliteit, verzochten via een referente om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband tussen eisers en de referente, die pleegmoeder is, niet aannemelijk was gemaakt.

Eisers stelden dat zij door de illegale uitreis van de referente niet over overlijdensaktes van hun biologische ouders konden beschikken en dat de voogdijverklaring van de sub-zoba voldoende was. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd waarom zij niet over de gevraagde documenten konden beschikken en dat de voogdijverklaring slechts een declaratoir document is zonder bindende juridische status.

De rechtbank vond dat verweerder terecht had geoordeeld dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was en dat eisers niet in bewijsnood verkeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/11570

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen

[naam] , eiser, en

[naam 1], eiseres,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende gronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens was aanwezig [naam 2] , referente. Als tolk is verschenen A. Idris. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum 1] en bezitten de Eritrese nationaliteit. Op 19 november 2015 heeft referente ten behoeve van eisers aanvragen ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Referente stelt de [pleegmoeder] van eisers te zijn. Zij is met ingang van 28 september 2015 in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Bij besluit van 12 december 2016 (primair besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 2q, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen referente en eisers niet aannemelijk is gemaakt.
3. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
4. Eisers voeren aan dat referente vanwege haar illegale uitreis niet aan de overlijdensaktes van de biologische ouders van eisers kan komen en dat zij er steeds vanuit is gegaan dat de voogdijverklaring van de sub-zoba voldoende was. Uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van februari 2017 blijkt ook dat de sub-zoba het bevoegde orgaan is om voogdijverklaringen af te geven. Verweerder heeft volgens eisers ten onrechte nagelaten om nader onderzoek te doen, bijvoorbeeld door de voogdijverklaring op echtheid te onderzoeken of door eiser, die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, te horen op de ambassade. Eisers doen een beroep op artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn) waarin staat dat een afwijzing niet slechts gebaseerd mag zijn op het ontbreken van documenten.
5. In gevallen waarin wordt verzocht om nareis van pleegkinderen, ligt het volgens C2/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 op de weg van de referent en de vreemdeling om de feitelijke gezinsband aannemelijk te maken. Dit beleid heeft ten doel te voorkomen dat de Nederlandse overheid meewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.
6. Verweerder heeft bij brief van 6 juni 2016 aan eisers meegedeeld dat de feitelijke gezinsband tussen hen en referente onvoldoende duidelijk was. Verweerder heeft eisers nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld nadere bewijsmiddelen op te sturen, waaronder originele documenten waaruit blijkt dat hun biologische ouders zijn overleden. Eisers hebben in reactie daarop diverse brieven gestuurd en, onder meer, een voogdijverklaring van de sub-zoba overgelegd. Zij hebben echter niet de gevraagde overlijdensaktes overgelegd, noch onderbouwd waarom zij daarover niet zouden kunnen beschikken. Ook in bezwaar is dit niet gebeurd.
7. Omdat deze onderbouwing ontbreekt, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij niet zouden kunnen beschikken over de overlijdensaktes van de biologische ouders van eisers, temeer daar referente na haar uitreis wel een voogdijverklaring van de Eritrese autoriteiten heeft kunnen verkrijgen. Verder heeft verweerder ten aanzien van de overgelegde voogdijverklaring van de sub-zoba terecht opgemerkt dat uit het algemeen ambtsbericht volgt dat dit slechts een declaratoir document is en een onderliggende uitspraak van de rechtbank, die in dit dossier ontbreekt, de bindende juridische beslissing is.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande op goede gronden heeft overwogen dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en referente niet aannemelijk is geworden, en bovendien dat niet aannemelijk is dat eisers in bewijsnood verkeren. Daarbij steunt het bestreden besluit niet slechts op het ontbreken van documenten, maar ook op het ontbreken van inspanningen van eisers om aan documenten te komen.
9. De conclusie is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Om die reden bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.