ECLI:NL:RBDHA:2017:15539
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke feitelijke gezinsband in nareisprocedure
Eisers, beiden met de Eritrese nationaliteit, verzochten via een referente om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband tussen eisers en de referente, die pleegmoeder is, niet aannemelijk was gemaakt.
Eisers stelden dat zij door de illegale uitreis van de referente niet over overlijdensaktes van hun biologische ouders konden beschikken en dat de voogdijverklaring van de sub-zoba voldoende was. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende hadden onderbouwd waarom zij niet over de gevraagde documenten konden beschikken en dat de voogdijverklaring slechts een declaratoir document is zonder bindende juridische status.
De rechtbank vond dat verweerder terecht had geoordeeld dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk was en dat eisers niet in bewijsnood verkeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van de feitelijke gezinsband.