ECLI:NL:RBDHA:2017:15612
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning familie- of gezinslid wegens beëindigde relatie niet rechtmatig
Eiseres kreeg in 2010 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. Na beëindiging van haar relatie met het familielid trok de staatssecretaris deze vergunning met terugwerkende kracht in. Eiseres stelde dat deze intrekking onrechtmatig was en onder meer in strijd met artikel 8 EVRM Pro, de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 20 VWEU Pro. De rechtbank oordeelde dat eiseres belang had bij het beroep vanwege een verblijfsgat dat gevolgen kon hebben voor haar naturalisatieprocedure.
De rechtbank constateerde dat verweerder onvoldoende was ingegaan op het beroep van eiseres op artikel 20 VWEU Pro en de Gezinsherenigingsrichtlijn, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging van verweerder ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro onvoldoende was gemotiveerd. Verweerder had onvoldoende rekening gehouden met het feit dat alle kinderen van eiseres de Nederlandse nationaliteit bezitten, in Nederland zijn geboren en geworteld zijn, en dat zij hun hele leven in Nederland hebben gewoond.
De rechtbank benadrukte dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM de belangen van kinderen zwaar wegen bij beslissingen over het gezinsleven. Verweerder had ten onrechte aangenomen dat de kinderen zich gemakkelijk konden aanpassen aan Ghana, terwijl zij daar nooit hebben gewoond. De rechtbank droeg verweerder op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.