ECLI:NL:RVS:2017:964
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering machtiging voorlopig verblijf vreemdeling bij echtgenoot en kinderen
De vreemdeling, Iraaks van nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar Nederlandse echtgenoot en hun vier minderjarige kinderen te verblijven. De staatssecretaris wees dit verzoek op 30 september 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de overwegingen.
In hoger beroep stelde de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende gewicht had toegekend aan het economisch belang van Nederland en dat hij een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met het belang van de kinderen, die grotendeels in Nederland zijn geworteld en de Nederlandse nationaliteit bezitten.
De Afdeling stelde vast dat de situatie in Irak voor het gezin een zekere mate van ontbering met zich brengt en dat terugkeer naar Syrië geen optie is. De belangenafweging van de staatssecretaris was onvoldoende gemotiveerd en niet in balans met het belang van het gezinsleven. Desondanks faalt het hoger beroep van de staatssecretaris en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf en veroordeelt de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.