ECLI:NL:RBDHA:2017:15789
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning echtgenote zonder machtiging voorlopig verblijf
Eiseres, een Turkse onderdaan, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om familieleven uit te oefenen met haar echtgenoot in Nederland. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling daarvan op grond van het Besluit 1/80 of het EVRM. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende een nieuwe belangenafweging had gemaakt en dat zij recht had op vrijstelling van het mvv-vereiste, onder meer op grond van het arrest Demir van het Hof van Justitie en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat eiseres geen onbetwist verblijfsrecht had en dat het beroep op de standstill-bepaling niet slaagde omdat zij niet als Turkse werknemer verbleef of werkte.
De rechtbank toetste terughoudend de belangenafweging van verweerder en concludeerde dat alle relevante feiten waren meegewogen. De omstandigheden van eiseres, waaronder medische problemen en kinderwens, waren onvoldoende om tot een positieve toelatingsplicht te leiden. Het beroep op het horen in bezwaar werd eveneens verworpen omdat geen andersluidend besluit te verwachten was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen de uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.