ECLI:NL:RBDHA:2017:16362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 april 2017
Publicatiedatum
28 februari 2018
Zaaknummer
C/09/529377 / KG RK 17-503
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing niet-ontvankelijkheid herhaald wrakingsverzoek tegen bestuursrechter belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft verzoekster B.V. een herhaald wrakingsverzoek ingediend tegen de bestuursrechter die haar bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2014 behandelde. Het verzoek betrof het oordeel dat de bestuursrechter ten onrechte het verzoek om uitstel van de zitting had afgewezen, waardoor verzoekster onvoldoende tijd had om het verweerschrift te bestuderen.

De wrakingskamer overwoog dat een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen tenzij er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die na het eerdere verzoek bekend zijn geworden. De grondslag van het tweede wrakingsverzoek was gelijk aan het eerste, en het feit dat de bestuursrechter aan de Belastingdienst uitstel had verleend voor het indienen van het verweerschrift was reeds bekend bij het eerste verzoek.

Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd bepaald dat de hoofdzaakprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond. De beslissing werd op 12 april 2017 in het openbaar uitgesproken door een meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het herhaalde wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2017/13
zaak-/rekestnummer: C/09/529377 / KG RK 17-503
zaaknummer hoofdzaak: SGR AWB 16/7919
datum beschikking: 12 april 2017
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:
[verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,
vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger] ,
verzoekster,
strekkende tot wraking van:
mr. S.E. Postema,
rechter in de rechtbank Den Haag,
hierna te noemen: de bestuursrechter.
Belanghebbende is:
De inspecteur van de Belastingdienst,
Gemachtigde: P.A.M. Ernster.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1
In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst het bezwaar van verzoekster tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.2
De griffier van de rechtbank heeft verzoekster bij brief van 12 januari 2017 uitgenodigd om op 2 februari 2017 om 12.20 uur aanwezig te zijn bij de behandeling van haar beroep door een enkelvoudige kamer. In deze brief staat tevens vermeld dat binnen een week na de datum van de uitnodiging kan worden verzocht om wijziging van de datum en het tijdstip van de zitting.
1.3.
Bij brief van 20 januari 2017 heeft verzoekster de bestuursrechter verzocht om uitstel van de zitting. Zij heeft hierbij aangegeven dat de tijd tot de zitting te kort is om zich goed op de zaak te kunnen voorbereiden. Bij brief van 23 januari 2017 is het verzoek om uitstel afgewezen.
1.4.
Verzoekster heeft de bestuursrechter vervolgens gewraakt. Bij beschikking van 20 februari 2017 (met zaak-/rekestnummer C/09/526402 /KG RK 17/188, wrakingnummer 2017/3) heeft de wrakingskamer dit verzoek afgewezen.
1.5
Bij brief van 21 maart 2017 heeft verzoekster de bestuursrechter opnieuw gewraakt.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 3 april 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De bestuursrechter en de belanghebbende zijn, met bericht, niet verschenen.

3.Het standpunt van verzoekster

Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag dat de bestuursrechter het verzoek om uitstel van de zitting ten onrechte heeft afgewezen, nu verzoekster tijdig daarom had verzocht. De bestuursrechter heeft ten onrechte zonder overleg een datum van de zitting bepaald en het verweerschrift eerst zeven dagen voor de zitting aan verzoekster toegezonden. Verzoekster stelt dat zij hierdoor onvoldoende tijd heeft om het verweerschrift te bestuderen en een reactie op te stellen. Verzoekster voert aan dat de bestuursrechter aan de Belastingdienst wel op diens verzoek uitstel heeft verleend voor het indienen van het verweerschrift.

4.Het standpunt van de bestuursrechter

De bestuursrechter berust niet in de wraking. Zij stelt dat de wrakingskamer al beslist heeft over het eerder ingediende wrakingsverzoek, dat ook zag op het niet verlenen van uitstel voor de zitting van 2 februari 2017. Dat aan de Belastingdienst wel op diens verzoek van 21 december 2016 uitstel voor het indienen van verweer is verleend, betreft een zuiver procedurele beslissing.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 8:16, vierde lid, van de Awb wordt een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.2.
Verzoeker heeft voor de tweede maal een wrakingsverzoek gericht tegen dezelfde rechter. De grondslag van het tweede wrakingsverzoek is in essentie gelijk aan de redenen die aan de eerdere wraking ten grondslag zijn gelegd. De omstandigheid, dat de bestuursrechter naar aanleiding van een verzoek van 21 december 2016 aan de belanghebbende uitstel voor het indienen van verweer heeft verleend, was al bekend ten tijde van het eerdere wrakingsverzoek en is daarom geen nieuw feit in de zin van voormeld artikel.
5.3.
Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekster,
• de belanghebbende en
• de bestuursrechter
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G.J. Brink, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. D.G.J. Dop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2017.