ECLI:NL:RBDHA:2017:16365

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
28 februari 2018
Zaaknummer
C/09/528509/ KG RK 17/409
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 AwbArt. 8:18, derde lid, AwbArt. 6, eerste lid, EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechter in belastingzaak

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. T.A. de Hek, bestuursrechter bij de rechtbank Den Haag, in een procedure over een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter, waarbij verzoeker klaagde over het niet grondig onderzoeken van zijn zaak.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 6, eerste lid, EVRM, waarbij een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. De kamer concludeerde dat het verzoekschrift geen concrete feiten of omstandigheden bevat die objectief de vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Ook het proces-verbaal van de zitting bood geen aanknopingspunten.

Verder merkte de wrakingskamer op dat verzoeker eerder een wrakingsverzoek had ingediend en zelfs geprobeerd had deze wrakingskamer te wraken, wat duidt op het frustreren van de procedure. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet in behandeling worden genomen.

De wrakingskamer wees het verzoek af, bepaalde dat het hoofdproces wordt voortgezet zoals dat was op het moment van het wrakingsverzoek, en beveelde toezending van de beslissing aan alle betrokken partijen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechter wordt afgewezen en toekomstige wrakingsverzoeken worden niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2017/8
zaak-/rekestnummer: C/09/528509/ KG RK 17/409
SGR AWB 16/6905 IB/PVV/ZVW G D1
datum beschikking: 4 april 2017
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
strekkende tot wraking van:
mr. T.A. de Hek,
rechter in de rechtbank Den Haag.
Belanghebbende:
de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Den Haag.

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.
De procedure betreft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van de Belastingdienst met betrekking tot vaststelling van een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013. Op 2 maart 2017 heeft in de hoofdzaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het schriftelijke wrakingsverzoek van 2 maart 2017 en van het proces-verbaal van de zitting op 2 maart 2017.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek en het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer
2.1.
Op 20 maart 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Hierbij zijn verschenen verzoeker, vergezeld van zijn zoon en een vriendin, alsmede de heer S.J. van Dam namens de inspecteur van de Belastingdienst.
2.2
Bij brief van 21 maart 2017 heeft verzoeker vervolgens deze wrakingskamer gewraakt. Dit wrakingsverzoek is door een andere wrakingskamer bij uitspraak van 4 april 2017 afgewezen.

3.Het standpunt van verzoeker

Het verzoekschrift bevat een algemeen geformuleerde klacht tegen “het establishment” en “de elite”, waartoe – naar de wrakingskamer begrijpt – de rechter die de zaak van verzoeker behandelt, in de ogen van verzoeker ook behoort. De rechter “wil zijn zaak klein houden, terwijl deze groot is”, en een rechter die aan waarheidsvinding doet, dient zijn zaak grondig te onderzoeken, aldus verzoeker.

4.Het standpunt van de rechter

Van de rechter is voorafgaand aan de zitting van de wrakingskamer geen reactie ontvangen op het wrakingsverzoek. Het is de wrakingskamer nadien gebleken dat dit het gevolg is geweest van familieomstandigheden.

5.De beoordeling

5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3
Het verzoek tot wraking van de behandelende rechter wordt afgewezen, omdat in het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit objectief de (vrees voor) diens partijdigheid kan worden afgeleid. Het verzoekschrift bevat immers geen duidelijk omschreven bezwaren tegen de wijze waarop de rechter de zaak van verzoeker heeft behandeld. Ook het proces-verbaal van de zitting naar aanleiding waarvan het wrakingsverzoek is ingediend, bevat geen aanknopingspunten voor de objectiveerbare (vrees voor) partijdigheid van de behandelende rechter.
5.5
Uit de omstandigheid dat verzoeker in dezelfde procedure al eerder een wrakingsverzoek heeft ingediend en vervolgens getracht heeft deze wrakingskamer te wraken leidt de wrakingskamer af dat verzoeker slechts uit is op het frustreren van de voortgang van de procedure in de hoofdzaak. Daarom zal worden bepaald dat een volgende wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking van mr. De Hek af;
- bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking van de bestuursrechter betrekking hebbend op de onderliggende hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker [verzoeker] ;
• de belanghebbende in de hoofdzaak de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor Den Haag, t.a.v. de heer S.J. van Dam;
• de bestuursrechter mr. T.A. de Hek.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, O. van der Burg en S.J. Hoekstra-van Vliet, rechters, in tegenwoordigheid van P. Hillebrand als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.