ECLI:NL:RBDHA:2017:16368
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in uitleveringskortgeding
In een kortgedingprocedure tegen de Staat der Nederlanden, waarin verzoeker zich verzette tegen zijn uitlevering aan Moldavië wegens risico op onmenselijke behandeling en gebrek aan eerlijk proces, werd een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter. Verzoeker stelde dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door de mondelinge behandeling aan te houden zonder hem gelegenheid te geven te reageren op een brief van de tegenpartij, en dat dit duidde op vooringenomenheid.
De wrakingskamer nam kennis van het verzoek, de reactie van de rechter en de afwezigheid van de gemachtigde van de Staat bij de zitting. Tijdens de behandeling stelde de rechter dat de aanhouding gegrond was en dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden. Tevens werd opgemerkt dat de Staat geen uitlevering zou effectueren voordat het kort geding was afgerond.
De wrakingskamer oordeelde dat beslissingen over aanhouding processuele beslissingen zijn die in principe geen wrakingsgrond vormen, tenzij zij zo onbegrijpelijk zijn dat zij een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid geven. Dit was niet het geval. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.