ECLI:NL:RBDHA:2017:16385

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2017
Publicatiedatum
5 maart 2018
Zaaknummer
NL 17.3055
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRMArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepsgronden bij asielaanvraag

Eiser heeft op 19 november 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke op 18 mei 2017 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde eiser op 13 juni 2017 beroep in, maar zonder de vereiste beroepsgronden. Eiser werd verzocht deze gronden binnen een gestelde termijn te herstellen, maar deed dit pas na het verstrijken van die termijn, namelijk op 13 juli 2017.

De rechtbank constateert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De eerdere gemachtigde had voldoende tijd om het dossier te bestuderen en de termijn in de gaten te houden, en de overdragende gemachtigde had kunnen wijzen op de lopende termijn. De termijnoverschrijding komt daarom voor rekening en risico van eiser.

De rechtbank onderzoekt vervolgens of bijzondere feiten of omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering op de niet-ontvankelijkheid kunnen rechtvaardigen, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. Dit is niet het geval, aangezien niet is gebleken dat uitzetting van eiser een onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ziet af van een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL 17.3055
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 oktober 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Afghaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. W. Blaauw),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Nieuwenhuijs).

Procesverloop

Op 19 november 2015 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 ingediend. In het besluit van 18 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Op 13 juni 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Pashtu taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank dient, voor zij aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan toekomen, de vraag te beantwoorden of het beroep ontvankelijk is.
2. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover hier relevant – bevat een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kan het beroep niet‑ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan dit vereiste, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3. De rechtbank maakt, behoudens bijzondere omstandigheden, gebruik van de bevoegdheid een beroep niet-ontvankelijk te verklaren als een beroep ten tijde van het verstrijken van de gestelde hersteltermijn niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Awb.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 juni 2017 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep bevat geen beroepsgronden in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Eiser is bij brief van 13 juni 2017 op dit verzuim gewezen. In deze brief is eiser verder in de gelegenheid gesteld, conform artikel 6:6 van Pro de Awb, om het verzuim op uiterlijk 11 juli 2017 te herstellen. In deze brief is tenslotte vermeld dat de rechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het verzuim niet tijdig herstelt. Eiser heeft het verzuim niet binnen de termijn hersteld. Eiser heeft immers pas op 13 juli 2017 de gronden van het beroepschrift ingediend.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet tijdig het verzuim heeft hersteld. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding. Weliswaar heeft de eerdere gemachtigde van eiser mr. M. Verdoner, nadat zij de zaak had overgenomen van mr. F.J.E. Hogewind, geen taak toegewezen gekregen in het digitale dossier dat zij gronden moest indienen, maar zij heeft 23 dagen de tijd gehad tussen de overname van de zaak op 16 juni 2017 en het aflopen van de termijn op 11 juli 2017 om het dossier te bestuderen en te kunnen nagaan of in de zaak een termijn liep voor het indienen van de gronden. Ook de overdragende gemachtigde had op de lopende termijn kunnen wijzen bij het overdragen van de zaak, dan wel in de 23 dagen daarna. De digitale taak was immers aan hem toegewezen omdat hij ten tijde van het stellen van een termijn voor herstel van het verzuim de gemachtigde van eiser was. De termijnoverschrijding komt daarom naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser en is niet verschoonbaar. Dit betekent in beginsel dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk dient te verklaren.
6. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de bestuursrechter ondanks een niet‑ontvankelijkverklaring moet beoordelen of zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaaknr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (het arrest Bahaddar). Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat uitzetting van die vreemdeling schending zou opleveren met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij wijze van voorbeeld verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1845).
7. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. Niet is immers gebleken dat uitzetting van eiser onmiskenbaar een schending van artikel 3 van Pro het EVRM oplevert. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is dat eiser iets te vrezen heeft in zijn land van herkomst en niet is gebleken van een actuele dreiging aan het adres van eiser. Evenmin is gebleken dat de familie van eiser die in [stad] verblijft, problemen heeft ondervonden. Er bestaat daarom naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak het bepaalde in artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Awb niet aan eiser tegen te werpen.
8. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaart.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
31 oktober 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.