ECLI:NL:RBDHA:2017:16385
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepsgronden bij asielaanvraag
Eiser heeft op 19 november 2015 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, welke op 18 mei 2017 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde eiser op 13 juni 2017 beroep in, maar zonder de vereiste beroepsgronden. Eiser werd verzocht deze gronden binnen een gestelde termijn te herstellen, maar deed dit pas na het verstrijken van die termijn, namelijk op 13 juli 2017.
De rechtbank constateert dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De eerdere gemachtigde had voldoende tijd om het dossier te bestuderen en de termijn in de gaten te houden, en de overdragende gemachtigde had kunnen wijzen op de lopende termijn. De termijnoverschrijding komt daarom voor rekening en risico van eiser.
De rechtbank onderzoekt vervolgens of bijzondere feiten of omstandigheden aanwezig zijn die een uitzondering op de niet-ontvankelijkheid kunnen rechtvaardigen, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. Dit is niet het geval, aangezien niet is gebleken dat uitzetting van eiser een onmiskenbare schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ziet af van een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden zonder verschoonbare omstandigheden.