Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juni 2017
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
Het procesverloop
De beoordeling
ikbelijd de islam.
Ikben sjiiet’;
cursivering rechtbank) daarmee niet valt te rijmen. In de correcties en aanvullingen heeft eiser niet gesteld dat het door eiser tijdens dat gehoor gegeven antwoord onjuist is vertaald. Het betoog van eiser dat verweerder geen waarde mag toekennen aan inhoudelijke verklaringen die zijn afgelegd in een (Dublin-)aanmeldgehoor faalt. Het is juist dat dit gehoor zich niet richt op de asielmotieven van de vreemdeling, maar op de vaststelling welk land verantwoordelijk is voor de beoordeling van het asielverzoek en op de vaststelling van de identiteit en nationaliteit (zie ook pagina 2 van het aanmeldgehoor). Dat betekent dat de ambtenaar die het gehoor afneemt geen vragen mag stellen over de asielmotieven. Hoewel eiser is gevraagd naar zijn religie, is de ambtenaar niet ingegaan op het gegeven antwoord en zijn daarover geen nadere vragen gesteld aan eiser. In de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van 7 oktober 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle (NL16.2455 en NL16.2456), waren die nadere vragen wel gesteld, zodat de verwijzing naar die uitspraak geen doel treft. Verklaringen die zijn afgelegd tijdens een eerste gehoor, kunnen aanleiding zijn voor gerede twijfel aan het asielrelaas en op voorhand afbreuk doen aan de geloofwaardigheid daarvan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9262).