Uitspraak
Rechtbank den haag
1.Procedure
- de dagvaarding van 22 augustus 2017;
- de in het geding gebrachte producties.
Rechtbank Den Haag
Eiseres en gedaagde sloten een koopovereenkomst waarbij gedaagde een horecabedrijf verkocht aan eiseres. Het horecabedrijf is gevestigd op grond die wordt gehuurd van de gemeente. Eiseres wilde de indeplaatsstelling op de huurovereenkomst met de gemeente realiseren, maar gedaagde weigerde hieraan mee te werken.
Eiseres vorderde daarom dat de kantonrechter haar medewerking aan de indeplaatsstelling zou vervangen door een rechterlijke uitspraak. Gedaagde betwistte de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst. De kantonrechter ging uit van de geldigheid van de koopovereenkomst omdat het verweer van gedaagde niet gemotiveerd was.
De kantonrechter overwoog dat de vordering niet toewijsbaar is op grond van artikel 3:296 BW Pro omdat uit de notariële akte niet blijkt dat gedaagde verplicht is mee te werken aan de indeplaatsstelling. Ook op grond van artikel 7:307 BW Pro, dat alleen de huurder een derde kan machtigen tot indeplaatsstelling, kon de vordering niet worden toegewezen.
De vordering van eiseres vond geen steun in enige wettelijke bepaling en werd daarom afgewezen. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vervanging van medewerking aan indeplaatsstelling wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.