ECLI:NL:RBDHA:2017:1774

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2017
Publicatiedatum
27 februari 2017
Zaaknummer
C/09/524258 / KG RK 16-2308
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 37 RvArt. 39 lid 3 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in geschil tussen erfgenamen

In deze zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die een zitting behandelde over een geschil tussen erfgenamen. Verzoeker voelde zich overvallen doordat hij tijdens de zitting voor het eerst een omvangrijk verzoekschrift van een belanghebbende ontving en vond een leespauze onvoldoende om zich adequaat voor te bereiden.

De kantonrechter besloot de zitting kort te onderbreken om verzoeker de gelegenheid te geven het verzoekschrift te lezen. Verzoeker wenste echter intrekking van het verzoekschrift of aanhouding van de zaak, wat werd geweigerd. Hierop diende verzoeker een wrakingsverzoek in wegens vermeende partijdigheid.

De wrakingskamer oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn functie wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel bewijzen. Een leespauze is een normale processuele beslissing en vormt geen grond voor wraking, tenzij deze onbegrijpelijk is en wijst op vooringenomenheid.

De kamer vond geen aanwijzingen voor onpartijdigheidstekort of schijn van partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet zoals het was ten tijde van het verzoek. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 16 januari 2017.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens ontbreken van onpartijdigheid.

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2016/73
zaak-/rekestnummer: C/09/524258/ KG RK 16/2308
kenmerk: 5366208 EJ VERZ 16-86476
datum beschikking: 16 januari 2017
BESLISSING
op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. J.P. Mulder
kantonrechter in de rechtbank Den Haag.
Belanghebbenden:
- [belanghebbende 1] ,
gemachtigde: mr. W. de Vries,
  • [belanghebbende 2] ,
  • [belanghebbende 3] .

1.De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1.
De hoofdzaak betreft een geschil tussen erfgenamen. Ter zitting van 20 december 2016 is het (zelfstandige tegen)verzoek van [belanghebbende 1] , strekkend tot benoeming van (een) andere dan de in het testament benoemde bewindvoerder(s), ter zitting van de kantonrechter behandeld.
1.2.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting op 20 december 2016, de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 20 december 2016, de brief van verzoeker van 29 december 2016 en de brief met bijlage van 4 januari 2017 van de gemachtigde van [belanghebbende 1] , mr. W. de Vries.

2.De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1.
Op 9 januari 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en de kantonrechter hebben beiden schriftelijk meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Belanghebbenden zijn (in persoon) verschenen.

3.Het standpunt van verzoeker

Uit het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak blijkt dat verzoeker aan zijn verzoek, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag heeft gelegd. Verzoeker heeft tijdens de zitting in de hoofdzaak voor het eerst het verzoekschrift van [belanghebbende 1] in ontvangst genomen. De kantonrechter heeft daarop voorgesteld om de zitting te schorsen voor een leespauze, zodat verzoeker kennis zou kunnen nemen van dit verzoekschrift. Verzoeker heeft zijn bezwaar hiertegen kenbaar gemaakt; verzoeker wenste intrekking van het verzoekschrift of aanhouding van de zaak. De kantonrechter heeft hierop meegedeeld dat de zitting niet zal worden verdaagd, waarna verzoeker de kantonrechter heeft gewraakt. Verzoeker heeft in zijn brief van 29 december 2016 de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de zitting in de hoofdzaak uiteengezet. Hij heeft daarnaast benadrukt dat hij niet ter zitting wenste te worden overvallen door een uitvoering verzoekschrift van 19 pagina’s. Een leespauze was volgens verzoeker niet voldoende en de kantonrechter liet hem geen andere keuze dan het indienen van een wrakingsverzoek.

4.Het standpunt van de rechter

Volgens de kantonrechter was verzoeker, gelet op de correspondentie die voorafgaand aan de zitting is gevoerd over de kwestie, bekend met het onderwerp van de zitting. Het leek de kantonrechter verstandig om de zitting kort te onderbreken en verzoeker de gelegenheid te geven het verzoekschrift te lezen en zich daarover een oordeel te vormen. De kantonrechter heeft de onderbreking ter zitting niet in duur beperkt.

5.De beoordeling

5.1.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2.
Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.
5.3.
De beslissing van de kantonrechter om de zitting te onderbreken voor een leespauze betreft een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in beginsel geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit anders zijn. De wrakingskamer is van oordeel dat deze situatie zich hier niet voordoet.
5.4.
De slotsom is dat het de wrakingskamer niet is gebleken dat het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt, noch is ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid gewekt. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

6.De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de kantonrechter;
de belanghebbenden:
[belanghebbende 1] , p/a zijn advocaat mr. W. de Vries
[belanghebbende 2] ,
[belanghebbende 3] .
Deze beslissing is gegeven door mrs. O. van der Burg, H.M.D. de Jong en J.W. Bockwinkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2017.