Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2017 in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Overwegingen
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PbEU 2013, L 180) en Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180)”,bij artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, p. 23, blijkt dat, wanneer iemand erkend is als vluchteling of anderszins voldoende bescherming geniet, en wederom wordt toegelaten tot dat grondgebied, er geen noodzaak is tot het verlenen van bescherming door de Nederlandse overheid.
Eiser heeft aangevoerd dat hij geen erkend vluchteling is in Zwitserland, noch subsidiaire bescherming geniet en dientengevolge niet aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw voldoet. Deze stelling volgt de rechtbank niet, nu uit de door de Zwitserse autoriteiten op 17 januari 2017 overgelegde informatie blijkt dat bij besluit van 23 september 2016 eiser subsidiaire bescherming is verleend. Vermeld staat: "He was interviewed and received a negative asylum decision. He was issued subsidiary protection. This decision entered into force on 23.09.2016." Daarbij komt dat eiser zijn stelling dat hem de F-status zou zijn verleend, niet met documenten heeft onderbouwd. In dit verband is mede van belang dat eiser heeft verklaard dat Zwitserland aan hem een verblijfsvergunning heeft verleend voor, naar hij denkt, vijf jaar. De hierop betrekking hebbende documenten heeft eiser niet in Nederland overgelegd, omdat hij die in Zwitserland bij een vriend heeft achtergelaten. De rechtbank concludeert dat, nu eiser subsidiaire bescherming in Zwitserland geniet, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser daardoor een zodanige band met Zwitserland heeft dat het voor hem niet onredelijk is daar naar toe terug te gaan. Verweerder wordt gevolgd in het standpunt dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer niet wederom in Zwitserland zal worden toegelaten. Verweerder is dan ook niet gehouden tot het verlenen van bescherming. Dit impliceert evenmin een schending van internationaal recht.