ECLI:NL:RBDHA:2017:2142
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeelde met voorwaardelijke taakstraf
De rechtbank Den Haag behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De veroordeelde was bij arrest veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 30 uren wegens mishandeling. Op basis van een bevel van de officier van justitie werd celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek.
De raadsman voerde aan dat de veroordeelde de taakstraf ontving vanwege zijn financiële situatie, waardoor een geldboete niet haalbaar was. Omdat bij een geldboete geen DNA-afname plaatsvindt, stelde hij dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard. De rechtbank oordeelde dat de wetgever inderdaad heeft bepaald dat bij uitsluitend een geldboete geen DNA-afname verplicht is, en achtte de verklaring van de veroordeelde aannemelijk.
De rechtbank concludeerde dat de enkele financiële situatie van de veroordeelde geen grond kan zijn voor DNA-afname en dat er geen omstandigheden waren die dit bezwaar konden weerleggen. Gezien het positieve reclasseringstoezicht en het ontbreken van verdere politiecontacten, verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval vernietiging van het celmateriaal.
Uitkomst: Bezwaar tegen DNA-afname gegrond verklaard en celmateriaal vernietigd.