ECLI:NL:RBDHA:2017:2400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2017
Publicatiedatum
13 maart 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 aanhef en onder d Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft op 4 januari 2017 een asielaanvraag ingediend die door verweerder niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure op grond van de Dublinverordening. Eiser betoogde dat hij vreest overgedragen te worden aan Algerije via Duitsland en dat hij in Duitsland geen eerlijke herhaalde asielprocedure zou krijgen, mede vanwege zijn gezondheidstoestand.

De rechtbank overweegt dat Duitsland middels het claimakkoord heeft gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen en dat dit volgens het Duitse asielrecht zal worden beoordeeld. De rechtbank acht dit voldoende reden om Nederland niet het verzoek te laten behandelen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opvang in Duitsland ontoereikend is of dat hij geen klachtenmogelijkheden heeft benut.

Ten aanzien van de medische klachten stelt de rechtbank vast dat eiser in Duitsland passende behandeling heeft ontvangen voor psoriasis, diabetes en hyperlipidemie en dat geen recente medische stukken aantonen dat hij nu specialistische zorg in Nederland nodig heeft. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat geen sprake is van een situatie in strijd met artikel 3 EVRM Pro.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af. Er worden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/2631

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. M.M.A.F.C. Lienaerts),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Garabitian).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 4 januari 2017 niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 3 februari 2017 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 24 april 2013, 22 juni 2016 en 7 november 2016 in Duitsland asiel aangevraagd.
Op 6 januari 2017 zijn de Duitse autoriteiten gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 12 januari 2017 waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland is komen vast te staan.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij vreest door Duitsland te worden overgedragen aan Algerije omdat hij in Duitsland al een asielprocedure heeft doorlopen. In Duitsland is er nog geen procedure die voorschrijft dat een tweede (of herhaalde) aanvraag inhoudelijk dient te worden behandeld. Voorts wordt er een beroep gedaan op de gezondheidstoestand van eiser.
3. De rechtbank overweegt als volgt.
3.1
Met betrekking tot het standpunt van eiser dat hij in Duitsland geen eerlijke (herhaalde) asielprocedure zal krijgen, wordt overwogen dat de Duitse autoriteiten middels het claimakkoord hebben gegarandeerd het onderhavige verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen, zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Dat dit verzoek volgens het Duitse asielrecht zal worden behandeld en beoordeeld, geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat Nederland het asielverzoek (onverplicht) aan zich dient te trekken.
3.2
Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de opvangmogelijkheden in Duitsland niet voldoen en dat hij geen mogelijkheid heeft om hierover te klagen, wordt overwogen dat eiser blijkens het rapport aanmeldgehoor Dublin heeft verklaard dat hij opvang in Duitsland heeft gehad. Eiser heeft geen verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat de opvangmogelijkheden niet voldeden. Voorts is niet gebleken dat eiser mogelijkheden heeft benut om te klagen bij de Duitse autoriteiten indien de opvangmogelijkheden niet voldeden.
3.3
Ten aanzien van de medische klachten wordt overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische zorg in Duitsland niet van een vergelijkbaar niveau is als in Nederland. De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat eisers gezondheidsklachten in Duitsland zijn gediagnosticeerd (eiser lijdt aan psoriasis, diabetes en hyperlipidemie) en dat eiser hiervoor passende behandeling en medicatie heeft gekregen in Duitsland. Voorts zijn geen recente medische stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat eiser op dit moment onder specialistische behandeling in Nederland staat.
3.4
Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Verweerder heeft zich -met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen geslaagd beroep toekomt op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
5. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.
Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).