ECLI:NL:RBDHA:2017:2515
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-hoofdverblijf op opgegeven adres
Eiser ontving sinds april 2014 bijstand en bijzondere bijstand. Verweerder beëindigde het recht op bijstand per 1 april 2016 en vorderde een bedrag van € 8.197,21 terug over de periode van 1 augustus 2015 tot 1 april 2016, omdat eiser niet zijn hoofdverblijf zou hebben op het opgegeven adres. Een onaangekondigd huisbezoek en een verklaring van eiser vormden de basis voor dit besluit.
Eiser betwistte het huisbezoek en de verklaring, stelde dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het adres en dat het rapport onjuistheden bevatte. De rechtbank oordeelde dat de verklaring rechtsgeldig was afgelegd en dat het huisbezoek proportioneel en gerechtvaardigd was vanwege redelijke vermoedens van onjuiste informatie. De bevindingen uit het huisbezoek, waaronder het ontbreken van een bed en minimale levensmiddelen, ondersteunden het oordeel.
De rechtbank stelde vast dat eiser de inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij niet zijn hoofdverblijf had op het adres, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De terugvordering van het bedrag was terecht en er waren geen dringende redenen om hiervan af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.