ECLI:NL:RBDHA:2017:3240
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning wegens onvoldoende medische gronden en mvv-vereiste
Eiser, een Surinaamse staatsburger met ernstige medische aandoeningen, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland om medische behandeling te kunnen ontvangen. Verweerder wees dit verzoek af vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling daarvan.
Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht meerdere adviezen uit waarin werd vastgesteld dat adequate medische behandeling voor zijn aandoeningen in Suriname beschikbaar is, ondanks dat eiser in Nederland wordt behandeld en mantelzorg ontvangt van zijn moeder. Eiser voerde aan dat de mantelzorg essentieel is, dat hij geen toegang heeft tot noodzakelijke zorg in Suriname, en dat voortzetting van zijn psychische en somatische behandeling aldaar niet aannemelijk is.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het BMA-advies terecht als zorgvuldig en inzichtelijk mocht beschouwen en dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd om dit advies te betwisten. Tevens werd geoordeeld dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat uitzetting naar Suriname een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert, mede gelet op het arrest Paposhvili van het EHRM.
Daarmee was ook geen sprake van klemmende humanitaire redenen die vrijstelling van het mvv-vereiste zouden rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.